Wat er nou eigenlijk te zien is, wanneer je het best kunt gaan, hoeveel dagen je per tocht écht nodig hebt en welke tours we aan onze balie boeken. Datums en prijzen: vraag het ons.
Tik op een getal, dan lichten de tochten op die passen.
Eén dag: een dagtrip naar Ninh Bình met roeiboot en fiets, of een dagcruise op de Hạ Long- of Lan Hạ-baai. ’s Avonds weer terug in Hà Nội.
Twee dagen: een nacht op een cruiseboot in Hạ Long of Lan Hạ, een trektocht in Sa Pa met een overnachting in een homestay, of Bản Giốc met de nachtbus heen en terug.
Drie dagen: de 3-daagse Hà Giang Loop, Sa Pa zonder haast, of Cao Bằng en de Bản Giốc-waterval.
Vier dagen of meer: de volledige Hà Giang Loop met Du Già, de tocht waar gasten jaren later nog over praten. Of Cao Bằng met een nacht aan het Ba Bể-meer.
Zo’n 350 km bergweg over het karstplateau van Đồng Văn, pal tegen de Chinese grens. Je zit achterop bij een local easy rider, terwijl grijze kalksteenpieken zich langs de weg verdringen, er maïs groeit in kuiltjes aarde tussen de rotsen en H’Mông-kinderen vanuit de deuropening zwaaien. Dan duikt de weg omlaag, de kloof van de Nho Quế in. ’s Avonds eet je in een homestay met je riders en de groep, meestal met een rondje maïswijn erbij.
+1 gratis nacht terug in Hà Nội
Een bergstadje op zo’n 1.500 m hoogte, hoog boven de Mường Hoa-vallei. Op elke helling liggen rijstterrassen, en de Fansipan, de hoogste top van Indochina, verdwijnt boven je in de wolken. Je komt hier om te lopen: van dorp naar dorp door terrassen en bamboe, langs waterbuffels in de rijstvelden en H’Mông- en Rode Dao-vrouwen in indigo. Het stadje zelf is druk. Waar het om draait, is de vallei eronder.
Bijna tweeduizend kalksteeneilanden die loodrecht uit groen water oprijzen, en de foto’s doen het geen recht. De dagboten varen ’s middags terug naar de haven. Blijf je een nacht op het water, dan krijg je mee wat daarna komt: kajakken tussen de eilanden bij zonsondergang, een stil dek en mist op het water als je wakker wordt. De Lan Hạ-baai ernaast heeft hetzelfde landschap, met minder boten en kleine strandjes.
‘De Hạ Long-baai op het land’: kalksteentorens die in rijstvelden staan in plaats van in zee. Roeiers nemen je mee over trage rivieren, onder grotplafonds zo laag dat je moet bukken en langs tempels die je alleen over het water bereikt. Op het land is het vlak en ideaal om te fietsen, langs lotusvijvers en rijstvelden tot aan de voet van Hang Múa met zijn 500 treden.
Groen waar Hà Giang grijs is: jadegroene rivieren, glooiende karstheuvels, dorpen van de Tày en Nùng en veel minder toeristen. De ster is Bản Giốc, een waterval die in trappen over de hele breedte van een grensrivier naar beneden komt, met bamboevlotten die je zo dichtbij brengen dat je de nevel voelt. Eromheen: grotten, bergpassen en een berg met een gat er dwars doorheen.